Christus verbeeld.


Hoe zie je Jezus? Op een Kirchentag praatten wij over voorstellingen van Jezus. Jezus als begripsvolle gesprekspartner, of als revolutionair, of als iemand die maar alles over zich liet komen... Ook aan mij werd gevraagd, wat voor voorstelling ik van Jezus had. Ik antwoordde: een klein Joods mannetje met een felle scherpe blik, die irritante vragen stelt.

Voorstellingen van Jezus. Ik ben opgegroeid met de plaatjes uit de kinderbijbel van Anne de Vries, met een schilderijtje aan de wand, waar Jezus omringd wordt door kinderen van alle rassen, de zondagsschool-plaatjes. Later kwamen de schilderijen in de musea, de crucifixen bij mensen thuis, de kruiswegen in de Rooms-Katholieke kerken erbij. In de meeste (protestantse) kerken waar ik kwam waren er geen voorstellingen van Jezus. Alleen de Grote Kerk van Dordrecht, waar ik in mijn jeugd ter kerke ging, was een uitzondering. Naast de een glas-in-lood-ramen met als thema de Dordtse Synode en de Elizabethvloed, was er een in een afgesloten kapel waar de opstanding van Christus wordt afgebeeld. In de andere protestantse kerken van Dordrecht heerste de kaalheid: een preekstoel, stoelen of banken, soms een doopvont en natuurlijk orgels met prachtige wapens erop, die door de rijke families geschonken waren. In de meeste protestantse kerken missen we afbeeldingen van Jezus. Dat heeft te maken met het gereformeerde verzet tegen het Rooms-Katholicisme.

Toch is ook in het Protestantisme de behoefte ontstaan om Jezus af te beelden. We maken ons eenmaal voorstellingen hoe Jezus er uit gezien zou hebben, van situaties, waarin Jezus kwam: Jezus als baby, als 12 jarige jongen in de tempel, in gesprek met leerlingen, terwijl hij het volk onderwijst, in discussie met de farizeeën en schriftgeleerden en hogepriesters, in confrontatie met Pilatus, Jezus aan het kruis, de opstanding ...

Vanzelfsprekend is het afbeelden van Jezus niet. De joodse cultuur, waaruit het Christendom voortkwam is beeldloos. Over God wordt in de Tenach (het Oude Testament) zeer menselijk gesproken, maar tegelijkertijd wordt het volk Israël verboden een beeld van God te maken. Niets in de schepping kan op adequate wijze God weergeven en God is met niets te vergelijken. God is de totaal andere. En tegelijkertijd zegt het beeldenverbod, dat niets in de schepping een goddelijke dimensie bezit. Het beeldenverbod maakt duidelijk hoe Joden de Eeuwige onderscheiden van andere goden of wat er in de natuur als goddelijk gedacht zou kunnen worden.

Toch heeft dit beeldenverbod niet kunnen verhinderen, dat in synagogen uit de tweede eeuw soms de handen van God werd afgebeeld (Europa Douro in Syrië of Beit Alfa in Israël en getuige de vele godenbeeldjes, die archeologen in de bodem van Israël vinden)

In het christendom van de eerste eeuwen was er een heftige discussie over het afbeelden van Jezus. Deze discussie ontaardde tussen de achtste en negende eeuw in een felle strijd tussen beeldenvereerders (iconodoulen_ en beeldenvernielers (iconoclasten). In 754 was er een synode (van Hiëreia), die het vereren van beelden als afgoderij veroordeelde, in 787 werd uiteindelijk in Nicea de iconoclasten als ketterij veroordeeld. In Jezus is God mens geworden, is deel geworden van de aardse werkelijkheid en daarmee kan hij afgebeeld worden. Christus is de ware icoon van God. Wie mij heeft gezien heeft de vader gezien (johannesevangelie).

Ook de beeldenstorm tijdens de reformatie heeft haar wortels in het bijbels beeldenverbod. Luther was hierin minder radicaal. In de Lutherse kerken in het buitenland (Duitsland, Zweden) treft men vaak prachtige beelden en schilderijen aan die de reformatie overleefd hebben. De kerk hoefde voor Luther niet kaal te zijn.

De christelijke kunst is niet geboren uit het verlangen om Jezus Christus af te beelden. Eerder is het uit de nood om op een of andere manier aan het geloof een visuele uitdrukking te geven. Dit verlangen staat haaks op de bijbelse cultuur. De bijbel is een "cultuur van het Woord". Paulus zegt: het geloof komt uit het horen. Het ware geloof komt niet van het zien, of tenminste niet alleen van het zien. Het beeld kan niet op zichzelf staan, maar dient gepaard te gaan met een uitdrukkelijke uitleg door woordverkondiging. In een commentaar op de Intocht van Christus in Jeruzalem zegt Luther: "Stop je ogen in je oren." Alleen het woord van de verkondiging kan ons openbaren wat de betekenis is van wat we zien.

Afbeeldingen hebben nooit de inhoud van het geloof en verkondiging genormeerd. Maar juist dat houdt een spanning in stand tussen woord en beeld als bemiddeling van Godservaring. Deze spanning kan vruchtbaar zijn. Steeds weer zullen andere vormen van expressie het woord begeleiden: de muziek, de houdingen van het lichaam, de gebaren, de dans, de versiering.

Voorstellingen van Jezus Christus: vaak helpen kunstenaars de bijbel beter te verstaan. Ze wijzen op onverwachte aspecten van het verhaal. Ik denk dan aan de verloren zoon van Rembrandt (zie ook het magistrale boek van Harry J.M. Nouwen, de verloren zoon) of Rembrandts verloochening van Petrus. Andere keren becommentariëren ze de tijd, waarin ze leven, bijvoorbeeld De intocht van Jezus in Brussel van James Ensor. Er is veel te ontdekken.

In het komende seizoen hoop ik met u deze ontdekkingstocht met u te maken in de kring: het evangelie verbeeld.

De bijeenkomsten zijn op 8 oktober, 5 november, 10 december, 14 januari, 11 februari, 11 maart, 15 april van 20.00 uur - 22.00 uur.

Thema's zijn op 8 oktober: Christus als herder, 5 november Christus als rechter, 10 december Maria de moeder van Jezus, 14 januari de doop van Christus, 11 februari de Paasmaaltijd, 11 maart Kruis en opstanding en op 14 april nemen we een gelijkenis onder de loep.


A.C.Verwaal