Enige notities bij zondagslied
"We zingen het zondagslied Gezang .... "
Als deze woorden na het Psalmwoord en Halleluja of na de lezing uit de brieven klinken, is dat het signaal voor de gemeente om op te staan en na het voorspel door de organist in te stemmen met de woorden van het lied. Niet in alle Lutherse gemeenten staat men bij het zondagslied. In de meeste gemeenten staat men bij het evangelie.
In het katern bij het liedboek staat het zondagslied bij de zondag van het jaar aangegeven. Het zijn liederen, die een brug vormen van epistel naar het evangelie. In de loop van de jaren is mij wel duidelijk geworden, dat deze zondagsliederen prima passen in het Lutherse leesrooster. Problematischer wordt het als men zich aan andere roosters houdt, zoals het rooster van de Raad van Kerken. Dan moet men vaak zelf op zoek naar een passend zondagslied.
In de zomer van 2005 ben ik op zoek gegaan naar de achtergronden van het zondagslied. Hieronder volgen enkele notities bij dit onderwerp.
Plek in de liturgie
De plek van het zondagslied is tussen Epistel en Evangelie. In de katholieke kerk werd hier de gradualepsalm gezongen, de psalm als de priester de trappen opging van de ambo, de lessenaar waar het Evangelie gelezen werd (vanuit de kerkruimte gezien: links van het altaar, het Oude Testament en de Epistel werden van de lezenaar rechts van het altaar gelezen. Het zondagslied is dus een verdubbeling van het het Hallelujagezang en Psalmwoord.. Het karakter van het zondagslied is door de plaats in de liturgie bepaald. De Hamburger musicoloog Otto Brodde in "das Graduallied" zegt, dat het zondagslied een verkondigend karakter heeft. De gemeente kan in de haar geëigende vorm van het lied haar opdracht van de verkondiging vervullen.
Karakter van het kerklied
Terecht stelt de predikant-dichter Willem Barnard in een interview met Trouw (27 november 1997), dat kerkliederen bestemd zijn voor de gemeente, voor de liturgie. In zeker zin zelfs uitsluitend voor ingewijden. Willem Barnard zegt daarmee niet, dat buitenstaanders er niet bij mogen zijn, maar wel dat deze poëzie een bepaalde context veronderstellen. De kerkgemeenschap is een gesloten gemeenschap van ingewijden. De taal van van kerkliederen heeft de eigenschappen van een geheime taal. Woorden als kruis, Woord en Genade staan voor zaken, die slechts binnen de christelijke gemeente hun verstaansgrond hebben.
Geschiedenis
De reformatoren zijn na de reformatie verschillende wegen gegaan in de liturgie. Luther hervormde de mis, Calvijn, Zwingli en anderen. grepen terug op de middeleeuwse preekdienst. Het zondagslied heeft als vooronderstelling het éénjarige leesrooster en de klassieke vorm van de eredienst (voorbereiding, introïtuspsalm, kyrië en gloria, collecta (zondagsgebed), lezingepistel, evt. psalmwoord, zondagslied, lezing evangelie, acclamatie, evt. credo, preek, antwoordlied, gebed over gaven, voorbeden, viering heilig avondmaal zegen).
De ontwikkeling van het zondagslied is te herleiden tot Luther.
In een brief van Luther aan zijn vriend en raadsman Spalatinus schrijft hij: We hebben besloten om naar het voorbeeld van de profeten en oude kerkvaders psalmen voor het volk in de landstaal te maken, geestelijke liederen, opdat het Woord van God ook door te zingen onder het volk blijft. Hij vraagt de hulp van Spalatinus. Criteria voor Luther zijn, dat er geen hoofse of ongewone uitdrukkingen gebruikt wordt, de vertaling moet begrijpelijk zijn en aansluiten bij de zin van de psalmen.
Thomas Müntzer, de radicale hervormer was Luther voorgegaan met het uitgeven van Duitse kerkliederen. In zijn Deutsch Kirchen ampt uit 1523 zijn tien oudkerkelijke hymnen in de Duitse taal opgenomen. Luther stoorde zich aan de zijns inziens onduitse bewerkingen.
Nadat Luther tevergeefs een beroep had gedaan op een aantal kennissen om dit werk te hand te nemen, is hij zelf begonnen met schrijven van liederen bestemd voor de eredienst. In zijn liederen richt hij zich meer tot de boeren dan tot de geleerden. Luther dichtte ongeveer 35 liederen, de helft van zijn liederen zijn in ons liedboek opgenomen.
Het is opvallend hoe de verschillende reformatoren met het kerklied zijn omgegaan. Thomas Müntzer vertaalde het oude missaal haast letterlijk en nam grotendeels de oude muzikale notaties van het missaal over. De meest radicale Schwärmer hadden geen enkele moeite met een rijke muzikale vormgeving. De Zwitserse reformator Hyldrich Zwingli, die buiten de kerk een groot liefhebber van muziek en van zingen was, verwijderde radicaal alle muziek en daarmee ook het zingen uit de eredienst. De Franse reformator Johannes Calvijn was een voorstander van de eenstemmige muziek in de eredienst en gaf opdracht de Psalmen en enkele cantica uit het Nieuwe Testament te vertalen (Lofzang van Zacharia, Maria en Simon) te vertalen voor het gebruik in de eredienst.
De eerste liederen van Luther "ein neues Lied heben wir an", geschreven naar aanleiding van de terechtstelling van twee augustijner monniken in Brussel en "Nun freut euch lieben Christengmein" (Gezang 402) heeft Luther waarschijnlijk oorspronkelijk helemaal niet voor het kerkelijk gebruik gedacht. Zijn latere liederen ??? bestaande uit psalmbewerkingen, vertalingen van oud-kerkelijke hymnen en liederen zijn bedacht voor het liturgisch gebruik.
Nikolaus Herman is de eerste dichter, die al zijn liederen heeft gedicht bij de epistel en evangelielezingen van het kerkelijk jaar (Gezang 137, 147, 200, 209, 270, 302, 316, 373 en 384). Ook Johann Rist (Gezang 127) en Johann Heermann (Gezang 168 en 181) droegen bij aan de zondagsliederen.
Uitgaande van een éénjarig lezingenrooster heeft de kerk volgens Willem Mudde slechts zo'n 200 liederen nodig. In het gehele kerkelijk jaar hoeft dan geen enkele keer een lied herhaald te worden.
Ontwikkelingen na de reformatie
In de ontwikkeling van het Duitse kerklied werd langzamerhand van deze liturgische lijn afgeweken. De dichters kregen meer belangstelling voor het christelijk gemoedsleven dan voor de liturgie. Dogmatisch werd er meer aandacht besteed aan de heiligmaking dan aan de rechtvaardiging. Deze liederen komen in een huismuziekachtige uitvoering het meest adequaat tot klinken. Deze liederen zijn meer voor de conventikels, de kring van gelijkgezinden dan voor de volkskerk. Toch hebben ook deze liederen hun plek gekregen in erediensten.
Enkele opmerkingen bij de zondagsliederen
Naar aanleiding van mijn onderzoek heb ik een aantal willekeurige steekproeven gedaan naar zondagsliederen in verhouding tot epistel en evangelielezing. De verbanden tussen epistellezing, zondagslied en evangelielezing werden, soms pas na zeer zorgvuldige lezing en bestudering, duidelijk en begrijpelijk. De vooronderstellingen van het geheel is, dat het éénjarig Lutherse leesrooster gevolgd wordt. Zodra men hiervan afwijkt, bijvoorbeeld als men het driejarig leesrooster van de Raad van kerken volgt, moet men op zoek naar andere zondagsliederen, die de brug tussen Epistel (eventueel Oude Testamentische lezing en Evangelie slaat. In het vakblad voor theologen bij dit rooster "de Eerste Dag" zijn er gelukkig goede suggesties opgenomen.
Zoals eerder al aangegeven hebben de zondagsliederen een verkondigend karakter. Het vormt een onderdeel van het Woorddeel van de dienst. Het opvallende is dat vele zondagsliederen gebaseerd is op de Lutherse theologie van de 16de en 17de eeuw, een enkele opvallende uitzondering daargelaten, bvb. D.Bonhoeffer (gezang 398 oudjaar) en H. Oosterhuis (gezang 161 op nieuwjaar). Het is ook goed rekenschap te geven van de achterliggende theologie.
De muzikale vorm is beperkt tot het lied in de vorm van strofen. Deze vorm is tijdsbepaald - West Europese muziek vanaf de Middeleeuwen. Ik kan me voorstellen, dat er ook andere vormen tot ontwikkeling komen, geïnspireerd door andere culturen. .
Zelf hoop ik dat men naast de zondagsliederen bij het éénjarig Luthers rooster ook zondagsliederen bij het driejarig rooster van de Raad van Kerken vorm zal geven.
A.C.Verwaal