Het geloof in God
Naar aanleiding van het boek van Klaas Hendrikse, geloof in een god, die niet bestaat, 2007
Christenen zijn atheïsten
In het oude romeinse rijk schijnen Christenen, evenals Joden als 'atheoi' = atheïsten, mensen zonder God beschouwd te zijn. De bewijsplaats heb ik proberen op te zoeken (in één van de geschriften van Flavius Josephus, een Joods historicus van de eerste eeuw, die door de Romeinen gevankelijk naar Rome werd meegenomen rondom 70 na Christus bij de val van Jeruzalem). Flavius Josephes schrijft ergens, dat Joden en Christenen door de mensen uit de volkeren als atheïsten beschouwd worden. Ik heb echter de bewijsplaats niet gevonden. Atheïsten in de tijd van Flavius Josephus zijn geen mensen, die ontkennen dat er een God is, maar mensen, die niet vroom zijn, omdat ze niet meedoen met de verering van de goden van de staatsgodsdienst. Opvallend is, dat dat verwijt over en weer werd gebruikt. Paulus in zijn brief aan de Efeziërs schrijft, dat de mensen uit de volkeren eertijds 'zonder God' (atheoi) waren, maar nu met Christus, verenigd in het burgerschap van Israël, in het verbond en levend met hoop (zie Efeze 2: 12). Het is nu voor ons zeer vreemd en wellicht ook schokkend om te horen, dat Christenen vroeger als atheïsten beschouwd werden.
Niet geloven in het bestaan van God.
Een recent onderzoek, uitgevoerd door de IKON, maakte duidelijk, dat een groot percentage van de predikanten niet gelooft in het bestaan van God. Het hoogst scoorden de Remonstranten, gevolgd door de Lutheranen. Destijds heb ik de vragenlijst van de enquête onder ogen gehad en ik besloot niet hieraan mee te doen, omdat de vragen mijns inziens niet zonder meer met ja of nee beantwoord konden worden. Want wat bedoel je als je zegt, dat God wel of niet bestaat? Kom je dan niet in een filosofische discussie? Is het bestaan van God te vergelijken met ons bestaan? Is zijn realiteit vergelijkbaar met onze realiteit?
En u is het boek er van ds. Klaas Hendrikse: 'Geloven in een God, die niet bestaat.' Binnen korte tijd heeft het al zijn derde druk beleefd. Ik heb zijn boek niet gelezen, wel enige kranteninterviews met hem en gesprekken met hem op de tv heb ik gezien. Enkel uitspraken van hem vond ik zeer bout. Maar hij dwingt je ook tot nadenken. Bijvoorbeeld: wat in de kerk God genoemd wordt heeft volgens ds. Hendrikse betere heidense dan bijbelse papieren. (Volkskrant 5 november 2007) Zo'n uitspraak dwingt je na te denken over hoe je over God praat ... Hoe praten en denken wij over God? Is het wel het bijbelse godsbeeld, of hebben wij allerlei heidense voorstellingen van God? Is dat dan slecht? (zie aantekeningen) Maar dan gaat hij verder: 'Kijk maar in de bijbelse boeken: God bestaat niet; God is geen schepper; dood is dood. Alle hiernamaals en scheppingsvoorstellingen zijn van later'. zegt hij stellig. Op dat moment zou ik met hem wel in discussie willen gaan over zijn voorstellingen van wat scheppen betekent, over zijn voorstelling van dood, over wat hij bedoelt met het bestaan van God.
De reacties bleven niet uit, o.a van Dr. Bas Plaisier (geloven in een God die er is) en van de Gereformeerde Bond. Er wordt geroepen om disciplinaire maatregelen.
Godsdienstkritiek
De negentiende en de twintigste eeuw kenden vele critici op de religie, de christelijke religie in het bijzonder. De lectuur van de theoloog Feuerbach, de filosoof Fichte, de econoom Marx, de filosoof Nietzsche en de psychoanalyticus Freud was verplichte stof tijdens mijn theologische studie. Het zijn meesters van achterdocht, waar je niet aan voorbij kan gaan. Met hen mag en moet je achterdochtig zijn op godsdienstige uitspraken, beroep op religie, normen en waarden. Wordt een heleboel onrecht niet versluierd door de godsdienst? Moet je niet de vraag stellen, welke belangen je dient? Je komt dan tot de conclusie, dat niet alles wat zich als christelijk aandient de lading dekt.
Discussies over het al of niet bestaan van God ga ik liever uit de weg. De discussies acht ik niet zo zinvol. Bewijzen voor het al dan niet bestaan van God heb ik niet. Dat wil echter niet zeggen, dat ik een agnost ben. De meeste Godsbewijzen zijn echter zeer discutabel.
Hoe dan over God spreken?
Hoe moet je over God spreken? Niet door zinloze discussies aan te gaan over het wel of niet bestaan. Over God kunnen we alleen maar zinvol spreken door uit te gaan van de openbaring. God maakt zich kenbaar aan ons.
Een van de meest fascinerende gebeurtenissen in de bijbel is voor mij het gedeelte, waar de God van Israël zijn naam uitlegt aan Mozes (Exodus 3). Mozes vraagt naar de naam van God. God vertelt zijn naam. In het Nederlands lezen we: Ik ben, die ik ben. In het Hebreeuws staat er: EHJEH ASJER EHJEH. Dit EHJEH is een uitleg van de gebruikelijke Godsnaam JHWH. Het EHJEH is een werkwoordsvorm, afgeleid van het werkwoord zijn. Je zou, het kunnen verklaren als de God van Israël openbaart zich in een gebeuren. Hij is actief door te zijn met het volk Israël, met hen op weg te gaan uit de slavernij van de dood, naar een land van belofte, een land van melk en honing.
Wijsgerig praten over een God die er al of niet is is vanuit dit gedeelte van de bijbel onmogelijk geworden. We hebben te maken met een openbaring in een gebeuren, een openbaring van de andere kant, van een andere dan onze werkelijkheid. Deze openbaring stelt achter al ons denken, spreken, handelen, vraagtekens, stelt ook vraagtekens achter onze boute uitspraken over het al dan niet bestaan van God.
In onze werkelijkheid openbaart zich de andere werkelijkheid van God en wel uiteindelijk voor mij het meest in Jezus Christus. Daar is God als mens temidden van de mensen, solidair met ons leven en sterven.
Aantekeningen:
Israël heeft gebruik gemaakt van Godsvoorstellingen van de volkeren om zich heen. Ze hebben echter wel deze op eigen wijze ingevuld. Dat geldt ook ook voor voorstellingen van het ontstaan van de wereld en hiernamaalsvoorstellingen. Ook de christelijke kerk heeft steeds gezocht naar aanknopingspunten in de heersende cultuur. In West-Europa bijvoorbeeld heeft men het Hebreeuwse Messias (gezalfde) vervangen door Heliand, Heiland. Het gebruik van voorstellingen uit andere culturen betekent echter tegelijkertijd ook een nieuwe invulling van de begrippen, die men overneemt. Interessant is te zien, hoe op het ogenblik in niet christelijke omgevingen begrippen uit andere Godsdiensten nieuwe invulling krijgen, zie onder ander het boek van Brinkman: De niet-westerse Jezus .