Spreken over God i


Het spreken over God is allang niet meer vanzelfsprekend. In andere tijden werd er over God met veel gemak gesproken. Je kan het merken hoe in romans uit de negentiende eeuw over geloven, de kerk, God en religie gesproken wordt. Er is een kloof ontstaan tussen het denken, voelen en beleven van die tijd en onze tijd. De Neerlandicus Marita Mathijsen verzucht: "Maar als een romanpersonage een opdracht van God krijgt, begrijpen we dat nog" ii


De verlegenheid om over God te spreken heeft niet stil gehouden voor de kerkdeuren. Ook binnen de kerk worstelt men met vragen over hoe je over God spreekt. De vanzelfsprekendheid, die we in Bijbelse verhalen tegenkomen als we over God spreken, verbaast. Wie of wat is God, hoe moeten we God voorstellen?

Dominee Klaas Hendrikse had de knuppel in het kerkelijk hoenderhok gegooid. Het vlot geschreven "Geloven in een God die niet bestaat" beleefde in korte tijd vele herdrukken. In Zeeland, waar de auteur werkzaam is, werd een tuchtprocedure gestart, die in 2009 verzandde.

Het ging Klaas Hendrikse over het "bestaan" van God. Niet alleen richtte hij zijn pijlen tegen gelovigen, die vasthouden aan de mening, dat God bestaat, maar ook tegen atheïsten. In hun verzet tegen de godsdienst houden ze vast aan een beeld van God, die niet meer bij de tijd is.

Alhoewel Hendrikse niet in een filosofisch debat terecht wil komen is de vraag over het "bestaan" van God in de eerste plaats een wijsgerige. Over God kunnen we niet op een zelfde manier spreken, dat hij bestaat als over een ding, of een levend wezen. God is niet aan dezelfde wetten van het bestaan, van het zijn onderworpen als wat wij waarnemen.


In de novembersynode van de PKN is naar aanleiding van het boekje van Hendrikse een discussie gevoerd. Ter bespreking lag een pastorale handreiking opgesteld door de scriba, dr A. Plaisier. Deze handreiking is na een redactionele bewerking beland op de tafels van de kerkenraden van de PKN. In de handreiking staat onder meer: "Tegelijk is het een bijdrage om belijdend over God te spreken. Dit laatste is niet uit de lucht gegrepen. Publicaties en verkondigingen, met name van ds. Hendrikse, Geloven in een God, die niet bestaat, hebben het nodige losgemaakt in de kerk. In zulke gevallen wordt de kerk geprikkeld om vragen die in dergelijke publicaties klinken serieus te nemen. Ze wordt uitgedaagd zich te bezinnen op haar geloof en op de vraag wat het betekent om als kerk belijdend over God te spreken."

De vraag, die bij mij opkomt is of de Pastorale handreiking ingaat op wat ds. Hendrikse stelt. Na lezing van de Pastorale handreiking heb ik het gevoel, dat er langs elkaar heen gepraat wordt. Heeft de scriba ten diepste de overwegingen van ds. Hendrikse beproefd? Is er een echt gesprek geweest? Waarom wordt er niet met elkaar en niet langs elkaar heen gesproken?


De vraag, die mij bezig houdt bij het lezen en herlezen van de pastorale handreiking is: gaat men echt in op de verlegenheid om over God te spreken? Waarom bestaat deze verlegenheid er? Niet alleen buiten de kerk, maar ook binnen de kerk!

Waarom zijn er vanzelfsprekendheden weggevallen?


Dr. A. Plaisier wijst op de vragen met betrekking tot de historische betrouwbaarheid van bijbelverhalen. Maar ik denk, dat er meer aan de hand is.

In het christelijk Europa van de twintigste eeuw hebben we twee oorlogen achter de rug, die wereldwijd gevoerd werd. In de eerste wereldoorlog stonden legers van "christelijke" landen tegenover elkaar. De meeste, ook progressieve, theologen en kerkelijke gemeenschappen ondersteunden de oorlogsinspanningen van hun regeringen. In de naam van God trok men tegen elkaar ten strijde. Met gemak werd er gesproken over God en er was een synthese gemaakt tussen het christendom en de behoeften van de burgerlijke maatschappij. Vanuit de crisis van de eerste wereldoorlog zetten de theologen Karl Barth en Rudolf Bultmann in met de onmogelijkheid om theologisch (dus ook over God) te spreken. In de tweede wereldoorlog hebben we te maken gehad met Auschwitz. Het openbaar worden van de verschrikkingen van de concentratiekampen, van het uitmoorden van een groot deel van de Joodse bevolking van Europa heeft het spreken over God en mens problematisch gemaakt. De rabbijn Rosenstein zag zich genoodzaakt afscheid te nemen van zijn geloof in God. De theoloog E. Fackenheim verkondigde de dood van God. Hieruit is de "God is dood theologie" geboren. De Duitse theoloog Marquardt zegt onder meer hierover: De christelijke kerk en de theologie hebben schuld op zich geladen "door anti-judïstische elemeneten in de nieuwtestamentische Christusprediking, door hun uitleg daarvan in dogma's en theologiën van de kerk, door het praktische gebruik dat de kerk hiervan in het westen gedurende vijftienhonderd jaar heeft gemaakt en tenslotte": door zich niet te verzetten tegen de misdaden, die hierop waren gebouwd." iii

De eerste wereldoorlog en Auschwitz zijn twee grote crises om God ter sprake te brengen.

Helaas mis ik dit historisch besef in de pastorale handreiking "Spreken over God."


Na de tweede wereldoorlog hebben de kerken hun broeder Israël ontdekt. Ook in de kerkorde van de Protestantse kerk in Nederland wordt gesproken over de onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël. In de pastorale handreiking vind ik dit te weinig doorklinken.


Tenslotte


Het "Spreken over God" is niet vanzelfsprekend. Ondanks mijn kritische opmerkingen hierboven over wat ik mis in de Pastorale handreiking kan deze een goed uitgangspunt zijn voor gesprek, ook in onze gemeente. Als er een aantal mensen zijn, die over deze handreiking met elkaar willen spreken ben ik graag beschikbaar.


A.C.Verwaal

i Spreken over God, Pastorale handreiking, Zoetermeer 2011

  1. iiMarita Mathijsen: De eigen taal als vreemdeling, Katern wetenschap blz 3 NRC Handelsblad, 12 en 13 februari 2011

  1. iiiVon Elend und Heimsuchung der Theologie, Prolegomena zur Dogmatik 74v, geciteerd door Gertrudeke van der Maas, in Theologie in een 'Gebroken wereld.'