Zondag Leatare, 14 maart 2010: de eerste slag.
Zondag Laetare wordt ook wel klein Pasen genoemd. Midden in de veertig dagen krijgen we al een voorsmaak op Pasen. Echter in de lezing van Exodus lijkt zelfs deze voorsmaak veraf. Er wordt gesproken over de eerste slag, die Egypte treft. Het water, zo levensnoodzakelijk verandert in bloed, het is niet meer drinkbaar. De tekenen, die Aäron verricht, is vergelijkbaar met die van de magiërs van het Egyptische hof. Ze overtuigen in eerste instantie niet.
Lezingen: Exodus 7, 8 - 25, Lucas 15, 11- 32
zingen: Psalm 122, Zingend geloven 1, nr 16, Psalm 116: 1- 4, Tussentijds 115, Gezang 175, Gezang 75: 4, 5, 6
Gemeente van Jezus Christus,
tot nu toe leek de inzet van Mozes en Aäron tevergeefs. Het beroep op de eeuwige heeft geen indruk gemaakt op Farao, de machthebber van Egypte. Ik ken hem niet, heeft hij Mozes en Aäron toegebeten. Als teken van zijn macht heeft hij de druk op de Hebreeërs verzwaard. Ze moeten meer werk doen in de zelfde tijd. De hoop, die de Hebreeuwse slaven hadden is de kop ingedrukt. Ze zijn murw geslagen. En Mozes en Aäron twijfelen aan hun opdracht.
In deze toestand van moedeloosheid van het volk, van Mozes en Aäron openbaart God zich nogmaals aan Mozes. Hij krijgt de opdracht om de Eeuwige nogmaals bekend te maken aan de Hebreeërs en ook aan de Farao.
Twee oude mannen, 80 en 83 jaar, die hun mond open doen. Wat hebben ze nog te verliezen? Twee oude mannen tegenover de jonge Farao.
Die twee oude mannen, die zeggen, dat een God tot hen gesproken heeft en de farao de opdracht geeft om zijn kind, zijn zoon te laten gaan. Slaven als kinderen van God- tot dan toe legitimeren alleen machthebbers hun goddelijk mandaat. Nu zeggen die twee mannen, dat er een God is, die zich niet in machthebbers openbaart, maar in slaven. Zend hen heen, laat ze gaan, laat mijn volk gaan, opdat ze mij dienen in de woestijn.
Nogmaals gaan Mozes en Aäron naar de Farao. Nogmaals brengen ze de woorden van de Eeuwige over. Maar in die woorden is Farao niet geïnteresseerd. Maar eerder in dat die twee zeggen God te vertegenwoordigen. Laat maar dan zien, dat jullie dat doen. Ze moeten een bewijs geven van die andere werkelijkheid. Als God bestaat, als er die andere werkelijkheid is, dan moet dat toch zichtbaar gemaakt kunnen worden.
Aäron smijt de staf, die hij in zijn hand houdt richting farao en zijn slaven. En de staf wordt tot draak.
Met zijn staf- een staf - herders hebben een staf om schapen een tikje te kunnen geven als ze hun eigen gang gaan. De staf is symbool geworden voor macht van de heersers- een scepter. Nu gooit Aäron als vertegenwoordiger van de God van de Hebreeërs en van de Hebreeërs de staf met een woedende beweging richting de farao. En voor de ogen van de farao en zijn slaven verschijnt een draak. Voor de Farao wordt de staf van Aäron tot een monster,een draak. Een draak - in de bijbel wordt voor het eerst gesproken over een een draak in het scheppingsverhaal: daar is het een monster, dat in de zee woont, een monster, dat door God geschapen is. Hier verschijn dit monster in die ontmoeting tussen de Farao en zijn slaven aan de ene kant en Mozes en Aäron aan de andere kant. Een draak - het is een mythologisch dier, een dier, dat je beter niet kan ontmoeten. Je kan het beste wegvluchten voor zo'n beest. Het is een monster, dat allen die op zijn pad komen dreigt te verslinden. Hoe kan je een draak verslaan?
De farao en zijn knechten worden geconfronteerd met de draak, een brullend monster, een monster, waar je hard voor zou weglopen, een nachtmerrie, waar je 's morgens zwetend van wakker wordt. Een nachtmerrie: de algemene crisis, angst voor oorlog, angst voor terroristische aanslagen, angst voor hongersnood.
Je zou verwachten,dat de Farao inschikt "zich laat overtuigen,maar hij verhardt zijn hart"? het blijkt, dat hij niet luistert niet naar het woord van de Eeuwige. De Farao heeft de mogelijkheid om te willen horen. De farao kan op grond van de draak, die hij voor zich ziet besluiten om de Hebreeërs te laten gaan" wil hij deze algemene crisis of gaat hij de confrontatie aan. Voor het laatste kiest de farao. Hij deinst niet terug voor de draak. O, jullie dreigen me daarmee. Ik heb mensen in dienst die ook kunnen dreigen met draken. De farao vindt het alleen maar een toverkunstje, een goocheltruc, die door zijn wijzen en tovenaars zeker nagedaan kan worden. Hij roept hen en ze doen het zelfde trucje: staven worden op de grond gesmeten en ze veranderen in draken, ook hij heeft zijn dreigementen. De draken, die hij op de Hebreeërs af kan sturen: nog zwaardere druk, elke zweem van opstand in de kiem smoren, executies, mensen zonder reden oppakken, uithongeren en wat al niet meer.
De draken worden weer tot staven en de staf van Aäron zwelgt de staven van de raadgevers van de farao op.
Het verhaal gaat verder. We komen nu bij de eerste slag, waarmee God Egypte treft. Ik gebruik bewust het woord slag, niet het woord plaag/ de Eeuwige wil Farao, Egypte niet plagen, maar hij willen overtuigen, dat ze het de Hebreeërs moeten laten gaan. De farao heeft niet willen luisteren, heeft zich niet laten overtuigen, door dat trucje van de staf, die tot draak wordt, heeft zich niet laten overtuigen door de argumenten van Mozes en Aäron. Hij gaat door met het onderdrukken van de Hebreeërs. Hij laat ze niet gaan.
Wie niet wil horen, zal het voelen.
De farao wordt nog eens aangesproken. Hij zal weten, waarom deze slag hem treft. Omdat u niet heeft willen horen...
We zijn getuige van de ontmoeting van Mozes en Aäron met de farao bij de Nijl. De Nijl, de stroom , die door Egypte gaat en zorgt voor de welvaart. Irrigatie zorgt ervoor, dat het graan kan opkomen, dat er voedsel voor iedereen is, dat er er welvaart heerst. Zonder de Nijl is Egypte een woestijn. Maar ja, als het water vervuild is, als het water niet meer drinkbaar is? Wat dan?...
Farao heeft niet willen horen. Aäron slaat met de staf, die in een slang kan veranderen op het water en het water verandert in bloed. Is het het bloed van de Hebreeërs, die zich vermengd met het water van de Nijl? Is de welvaart van Egypte niet dankzij de onderdrukking van de Egyptenaren. Krijgt die welvaart van Egypte niet een nare smaak door de onderdrukking.
Ik herinner me in de zeventiger jaren de affiches tegen het eten van de Zuid-Afrikaanse Outspan sinaasappelen. Een hoofd van een zwarte bewoner van Zuid-Afrika boven een sinaasappel-pers. Daaronder de woorden: Pers geen Afrikaan uit.
Het water van de Nijl wordt tot bloed, beeld van de onderdrukking door de Farao, de welvaart van Egypte heeft een vies smaakje gekregen, zelfs de vissen houden het niet uit. Ze sterven. Ze komen boven drijven - bekende beelden, die soms verrassend actueel zijn: de wens om welvarend te zijn gaat ten koste het milieu. De olie in de Po een paar weken geleden, een paar jaar geleden de vervuiling van de Donau door lozing van chemische fabrieken in Hongarije en Roemenië, de lozingen na ongelukken van de chemische fabrieken in Zwitserland, Duitsland, Frankrijk die de watervoorziening in Nederland in gevaar brengen... en u kunt zelf waarschijnlijk deze lijst nog wel aanvullen.
Wil de Eeuwige dat de farao de slechte weg koos. De bijbel wekt wel de indruk. Sommige joodse uitleggers zeggen -God wilde niet dat farao de slechte weg koos..dat deed hij zelf. Hoe langer hij bij zijn mening en zijn houding bleef, des te onomkeerbaarder werd de situatie. Farao raakte steeds meer in zijn eigen machtssysteem verstrikt, waardoor het land en de bevolking ten onder ging.
De farao vervuilde dankzij zijn politiek van onderdrukking zijn eigen levensbron en dat van zijn volk. Het opvallende is, dat nu die bron niet meer gebruikt kan worden, dat de Egyptenaren op zoek gaan naar alternatieve bronnen, bronnen met levend water.
Gemeente van Jezus Christus,
zondag laetare, zondag klein Pasen zo heet deze zondag. In het verhaal van Exodus lijkt Pasen nog ver weg. Een Farao, die niet luistert, een farao weigert te erkennen, dat er buiten hem en zijn belangen noch een andere werkelijkheid is, de werkelijkheid van God, die zich vereenzelvigt met het lot van de slachtoffers van zijn politiek en economie.
De farao wordt getekend als hij die niet hoort. Wat een verschil met de hoorders van Jezus: alle zondaren en tollenaren, zo vertelt Lucas naderden tot hem om hem te horen.
Dat horen is al het begin van een ommekeer. Het is al reden tot vreugde. Echter de mensen, die om Jezus staan die ergeren zich: waarom ontvangt hij zondaars en eet met hen? Daarop vertelt Jezus dan drie gelijkenissen: de laatste gelijkenis is van de verloren zoon. De oudste zoon in de gelijkenis is als die Farizeeën en Schriftgeleerden. Ze mopperen over de jongste zoon, die zichzelf verloor, die alleen maar op zijn eigen gewin uit was en daardoor slaaf geworden is. Die jongste zoon heeft de moed gehad om terug te keren, om gehoor te geven aan de ontferming van de vader. Wat zouden die jongste zoon en de oudste elkaar veel kunnen leren: de jongste humor en spontaniteit en ook het inzicht van het eigen falen, de oudste plichtsbesef en discipline. Samen kunnen ze zo al iets beleven van de vreugde van Pasen: de bevrijding uit Egypte. Amen.