Zondag 2 mei, Cantate: zingt
thema: het nieuwe lied
De lezingen nemen ons mee naar verschillende situaties: Het volk Israël bij de Jordaan als Mozes zijn afscheidsrede houdt, naar het nieuwe Jeruzalem, waar God eindelijk koning en rechjer is en het definitieve oordeel valt en naar de ruimte, waar Jezus met zijn leerlingen zijn laatste maaltijd gebruikt heeft en nu nog éénmaal hen toespreekt. In de afscheidswoorden van Mozes en Jezus horen we waar het op aankomt voor het volk Israël en voor de gemeente uit de volkeren: Hoor Israël, en hebt elkander lief. Als we dat doen, kunnen we het nieuwe lied aanheffen, waarover Psalm 98 spreekt
lezingen: Deuteronomium 6: 1 - 9, Openbaring 19: 1 - 9 en Johannes 13: 31 - 35
zingen: Psalm 98. Psalm 145: 1, 2, Tussentijds 175, Tussentijds 103 en Gezang 225
organist: M.v.d. Male
uitgangscollecte: Eredienst & Kerkmuziek
koffiedrinken na de dienst
Uitleg Openbaring 19
Gemeente van Jezus Christus,
Ad den Besten schreef voor de eerste dagen van mei een lied waarin dankbaarheid doorklinkt voor de bevrijding van Europa van het fascisme.
Nooit lichter ving de lente aan,
dan toen uw hand ons volk bevrijdde.
Hoe hebben w'in dat schoon getijde
verheugd huiverend verstaan:
Gods vijanden vergaan.
Over het vergaan van Gods vijanden heeft Johannes geschreven aan de zeven gemeenten in Klein Azië. Voor hem is het nog iets wat uitstaat. In een visioen heeft hij het zien gebeuren. Het is een visioen, dat hij wil delen met de volgelingen van Jezus in Klein Azië. Hij wil een hart onder de riem steken, zijn zusters en broeders bemoedigen. Hij is zelf door bemoedigd te midden van zijn ballingschap op het eiland Patmos.
Patmos, een eiland voor de kust van Klein Azië, een strafkolonie van het Romeinse rijk, waarheen om verschillende redenen mensen werden verbannen, die niet meer in hun woonplaats mochten verblijven, een soort Robbeneiland, zoals wij dat kennen uit de tijd van de apartheid, waarheen o.a. Nelson Mandela verbannen werd. Het moet er bar en boos geweest zijn te midden van een eindeloze zee, rotsachtig verstoken van elke cultuur en elk comfort.
In het jaar 95 van onze jaartelling werd hij daarheen verbannen. Dat had te maken met de verering van de keizer. Keizer Domitianus beschouwde zichzelf als God en hij verordineerde een keizercultus met goddelijke eerbewijzen. Hij is daarheen verbannen vanwege zijn getuigenis van Gods woord. Voor de Jezus-volgelingen was het een zware tijd, martelaren werden terecht gesteld.
Verbannen is hij. Verbannen op een eiland, bewaakt met andere gevangenen door een garnizoen soldaten. Verbannen, ver weg van zijn geliefden. Een eerbiedwaardige oude man met een zachte stem, maar als hij spreekt, raak je vanzelf onder de indruk, want hij heeft wat te zeggen. Hij is scherp, analyserend, weet situaties goed in te schatten. Ook terwijl hij in ballingschap is wordt zijn woorden gevreesd. Zijn invloed nog steeds groot. Daar in zijn ballingschap wordt hij door middel van brieven of door bezoeken van vrienden goed op de hoogte gehouden, wat er in de wereld speelt, hoe het gaat bij zijn geliefden. Hij heeft de tijd er over na te denken. En zo af en toe schrijft hij terug. Natuurlijk worden zijn brieven gelezen voordat ze meegegeven kunnen worden. Een censor met zijn rode potlood. Dat betekent, dat hij in beeldspraak moet schrijven. De beeldspraak ontleend hij aan de Tenach, het Oude Testament. Die beeldspraak wordt wel herkend bij de lezers, die de bijeenkomsten van de gemeente bijwoonden. Ze weten waar hij het over heeft, wat hij bespreekt.
In deze situatie heeft de presbyter een aantal visioenen geschreven, die hij op schrift stelde of liet stellen.
In de weken tussen Pasen en Pinksteren worden gedeelten uit het boek Openbaring gelezen. Zo ook vandaag op zondag Cantate.
Het visioen dat wij vandaag hoorden wordt voorafgegaan door een visioen, waar Johannes ons deelgenoot maakt van de ondergang van het Romeinse rijk, dat hij met de hoer van Babel aanduidt. Wat hij daarin geschreven heeft, is te vergelijken met de puinhopen van Berlijn na de tweede wereldoorlog, of van Hiroshima na het vallen van de bom: een trieste verlatenheid, ruïnes. Er heerst alleen maar stilte, een godsgruwelijke stilte dan deze is er niet. Alles is dood, dood en nog eens dood. Er is niets meer.
Is er niets meer? Nee, zegt Johannes: nu begint het pas goed. Nu aan de onderdrukkers het zwijgen is opgelegd komen de heiligen naar voren: de apostelen, de profeten en met in hun navolging een zeer grote menigte, volgelingen van Jezus en allen die achter hem zijn aangegaan. Nu is er alleen ruimte voor hen, het nieuwe volk van Gods, dat al het voorafgaande gaat overstemmen.
Hij neemt ons mee naar de hemel, waar het halleluja klinkt van een grote menigte.
Wat we lezen en horen is een veelheid van hymnen of beter gezegd van psalmen. De psalmen beginnen met de vreugdekreet: Halleluja.
Halleluja, dat is een samenstelling van de Hebreeuwse woorden Hallel en Jah, een afkorting van de Godsnaam. Prijst de Eeuwige.
Op Witte Donderdag hebben we na de viering van de maaltijd van de Heer de Hallel-psalmen gelezen en gezongen. Het zijn de Psalmen, waarmee de viering van de Sedermaaltijd, de maaltijd van Pesach besloten wordt. Die hallel-psalmen zijn een lofprijzing op God, die uit het land van de angst, uit Egypte de Hebreeërs, de slaven, het volk Israël bevrijd heeft.
Over het Halleluja zingen wordt in een rabbijns commentaar het volgende gezegd: David heeft 103 psalmen gedicht, maar Halleluja heeft hij pas aangeheven, toen hij de val van de goddelozen zag.
In het boek Tobith heft Tobith het Halleluja aan, toen zijn zoon terugkeerde en in het boek van de Makkabeeën wordt het Halluja gezongen: toen de Joden van koning Ptolomeüs toestemming kregen terug te keren naar Jeruzalem.
In het boek Openbaringen klinkt de liturgie van eeuwen her mee in deze hemelse kathedraal. Heel de kerkmuziek van vroeger en nu.
In het visioen van Johannes wordt de ondergang van wat hij noemt de grote hoer bezongen, ditmaal als danklied en lofpsalm. De rook van de stad van onderdrukking stijgt op tot in de eeuwen der eeuwen en dat is reden tot vreugde. De oude visioenen zijn definitief vervuld. Een vreugdezang wordt aangeheven, omdat eindelijk God een eind gemaakt heeft aan de onderdrukking, omdat het eindelijk de slachtoffers bevrijd zijn, omdat de tegenstander eindelijk geoordeeld en veroordeeld is. Het is inderdaad te vergelijken met de vreugde van bevrijding na de val van Berlijn en Tokio in 1945, waardoor een einde kwam aan het Fascisme en nationaal-socialisme, dat de wereld met haar optreden verdierf.
De liturgische viering gaat over in de aanbidding van de 24 oudsten ??? vertegenwoordigers van de gemeente, terwijl boven hen vanaf de troon geroepen wordt: Looft God al zijn dienstknechten. En we horen het Halleluja klinken, want zo zingen ze de Eeuwige heeft zijn koningschap aanvaard. Het is de tegenstem tegen de Keizer, die zichzelf als titel durfde geven: onze Heer en onze God. Het koor zingt: Koning is er slechts één - Hij.
Johannes ziet de bruiloft gekomen. En nu is Johannes bij het hoogtepunt van zijn visioenen. Bruidegom en bruid - dat is de tekenen van de nieuwe tijd. Jezus had al de nieuwe tijd betiteld als bruiloftsfeest. Nu ziet Johannes de bruiloft van het Lam gekomen, diens bruid heeft zich al opgemaakt. Ze is gehuld in een zuiver wit gewaad van linnen.
In de synagoge wordt op Pasen naast het verhaal van Exodus ook het Hooglied gelezen. Hooglied, waar het in de rabbijnse uitleg ook gaat om de liefde tussen God en zijn volk. Israël is de bruid van de Heer. Het feest van de bevrijding uit Egypte is niet zomaar een feest, een verjaardag of een jubileum, het is een bruiloftsfeest. De jonge gemeente neemt deze beeldspraak van Israël over en ziet de bruidsverhouding tussen de Eeuwige en zijn volk bestendigd en voltooid in die tussen de Messias en de gemeente. Het gaat om wederzijdse trouw, om tederheid en ontferming, welke bij voorkeur tot zijn recht komt in het symbool van de bruiloft. De nieuwe wereld, de nieuwe tijd van God, dat is de wereld waarin iedereen tot zijn of haar recht komt, is een overstelpend bruiloftsfeest, waaraan velen zullen aanzitten en de minsten de beste plaatsen krijgen.
Gemeente van Jezus Christus,
eigenlijk is wat Johannes zegt niets nieuws. Wat de profeten - met name Jesaja, Jeremia en Ezechiël - in hun vergezichten zagen over de val van Babylon, wordt door Johannes in de zoveelste macht verheven en vervuld gezien in de ondergang en het definitieve einde van de boze, de hoer.
Het is een visioen, zeker,maar een visioen dat in leven houdt en het riskeert erin te geloven. Babel is overwonnen, de hoer onderworpen. Dat is geschiedenis. Dat geschiedt. Door alles heen. Er is sinds Johannes veel veranderd, maar het visioen is onuitroeibaar. Het laat zich niet verstikken Openbaring is nog steeds gaande. Amen.